Geschiedenis Goeree-Overflakkee (4)

Vervolg geschiedenis Goeree Overflakkee

Sommelsdijk nu (Google maps)

De achttiende eeuw

Door verschillende (kleinere) inpolderingen groeit Overflakkee tot één groot eiland. Tot in de 18 e eeuw vormt Goeree (Westvoorne) nog een afzonderlijk eiland. Tussen beide eilanden ligt lange tijd het eilandje Zomerland. De oudste aantekeningen betreffende Zomerland dateren uit de 13 e eeuw. Op het eilandje heeft een dorpje met kerk gestaan, maar zowel dorp als eiland zijn in de golven verdwenen. De eerste vaste verbinding tussen Goeree en Overflakkee wordt in 1751 aangelegd, dit geschiedt in opdracht van de Staten van Holland: de Statendam. Door zwaar stormweer in februari en maart van 1757 wordt een groot deel van de dam vernield, maar spoedig herstel volgt. In 1763 is er weer grote schade ontstaan aan de dam. De Staten gaan twijfelen over de instandhouding ervan. Een aantal particulieren besluit de klus te klaren en zij verhogen de dam. In 1769 kan de eerste inpoldering tegen de Damdijk gerealiseerd worden: de Adrianapolder, enkele jaren later gevolgd door de Eendrachtspolder. In laatstgenoemde polder komt het dorp Stellendam te liggen. Het eerste stenen huis van dit jongste dorp van Goeree-Overflakkee wordt in 1782 gebouwd. Na de aanleg van de Statendam is er sprake van één eiland: Goeree-Overflakkee. Zeker na de inpolderingen van de Adrianapolder en de Eendrachtspolder krijgt het eiland zijn huidige vorm.

In de 18 e eeuw verschijnen dan ook meer boerderijen in het Flakkeese landschap, veelal fraaie hofsteden. Het lijkt de boerenstand voor de wind te gaan. Het teeltplan van de boeren kan tevens worden uitgebreid met enkele nieuwe gewassen, zoals de aardappel, peulvruchten, uien en zaden. De nieuwe polders zijn qua verkaveling duidelijk anders dan hun voorgangers van twee eeuwen daarvoor. De verkaveling is veel regelmatiger, want deze is in principe reeds van tevoren op de tekentafel ontstaan. In sommige gevallen is zelfs sprake van vierkante percelen, zoals bij de Oost- en Westplaat ten noorden van Middelharnis.

De negentiende eeuw

Inmiddels is de Bataafs/Franse tijd aangebroken, een periode waarin – zeker staatkundig – veel verandert. Vanaf 1805 gaat de Zeeuwse enclave Sommelsdijk deel uitmaken van Holland. Pas in 1812 worden Ooltgensplaat en Den Bommel, die samen eeuwenlang de ambachtsheerlijk St. Adolfsland vormen, gescheiden. In die jaren vindt een reeks van incidenten plaats tussen de eilandbewoners en de Fransen. De vissers van Middelharnis weigeren herhaaldelijk te varen voor de Franse marine. In 1813 vindt de bestorming van het fort te Ooltgensplaat plaats, waarbij inwoners uit Ooltgensplaat en andere dorpen op het eiland zijn betrokken. Veel bloed heeft er in die tijd niet gevloeid, maar de economische schade, zowel voor de visserij als voor de landbouw, is groot.

Sommelsdijk 1865

Sommelsdijk 1865

 (klik op de afbeelding voor een vergroting)

Nadien breekt een periode van herstel aan. Mede door de stijging van de prijzen van agrarische producten weet de landbouw zich binnen korte tijd redelijk te herstellen. Ook met de visserij in Middelharnis gaat het weer bergopwaarts maar de euforie daarover wordt snel getemperd door de losmaking van België, een van de belangrijkste afzetgebieden van de verse vis, zo hoog dat export naar onze zuiderburen zo goed als onmogelijk wordt. De visserij van Middelharnis krijgt daardoor een gevoelige dreun en de visafslag wordt in 1856 opgeheven. Enige tijd later neemt de visserij weer in betekenis toe om tenslotte in het begin van de 20 e eeuw te gronde te gaan. De vissers, en mensen die werkzaam zijn in aanverwante bedrijfstakken, moeten ander werk zoeken. Een groot aantal vertrekt naar andere vissersplaatsen of zoekt werk in de Rotterdamse haven.

In 1841 krijgt het eiland te maken met de Afscheiding. In 1847 wordt de eilandelijke kerk van de Afgescheidenen (te Middelharnis) alweer opgeheven, omdat “onderscheidene leden wegens bijzonder drukkende omstandigheden naar Noord Amerika vertrokken”. Eerst in 1863 sticht ds. M. Keulemans c.s. te Middelharnis een Gereformeerde Gemeente onder het Kruis. In 1867 komt er een kerk te Dirksland die weet uit te groeien tot de bakermat van de Gereformeerde Gemeenten op het eiland.

Opvallend verschijnsel in de 19e eeuw is de massale emigratie naar met name de Verenigde Staten. Vooral uit Ouddorp en Goedereede vertrekken honderden mensen – uit armoede gedreven – naar het grote, onbekende Amerika om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Ook van Overflakkee wagen verscheidene landverhuizers de grote oversteek, onder wie veel Afgescheidenen.

De percelen landbouwgrond zijn op Goeree kleinschalig. Hier komen meer keuterboertjes voor dan op Overflakkee, waar in ruime, vruchtbare polders uitgestrekte landerijen en kapitale boerderijen zijn gelegen. De agrarische sector is een seizoensbedrijf, zodat met name in de winterrmaanden vele mensen tijdelijk werkloos zijn. Vóór 1900 hebben de boeren in deze periode, zeker voor de kostwinners, regelmatig werk. Na 1900 ontstaat door de mechanisatie en rationalisatie van de landbouw een arbeidersoverschot, dat tot een van de grootste problemen van de 20 e eeuw kan worden gerekend.

Het loon van de landarbeider is laag. Om de winter door te komen, wordt van de geringe inkomsten getracht wat geld opzij te leggen. Bovendien mesten de meeste mensen een varken voor de slacht en trachten een voorraadje aardappelen e.d. aan te leggen. De situatie wordt nu voor velen zodanig dat ze hun toekomst elders gaan zoeken, zoals in de havenstad Rotterdam. Een kleine groep is in goeden doen. Deze zogenaamde dorpselite is vertegenwoordigd in dorps-, kerk-, polder- en armbestuur. Het eiland wordt dus eigenlijk bestuurd door enkele invloedrijke families. op godsdienstig gebied nemen zij een liberalere houding aan dan de overwegend orthodoxe landarbeiders. In de 20e eeuw wordt de relatie boer-arbeider losser en enkele landarbeiders en keuterboertjes gaan zelfs deel uitmaken van de gemeente- of de kerkenraad.

De twintigste eeuw

In de eerste helft van de 20 e eeuw was de landbouw nog steeds hoofdmiddel van bestaan. Vanaf 1890 laten echter verschillende veranderingen in de landbouw van zich spreken: de rationalisatie en later de mechanisatie. Na enkele decennia van depressie gaat het beter met de landbouw. Door de komst van kunstmest is het mogelijk af te stappen van het zogenaamde drieslagstelsel: één jaar braak, één jaar winterkoren en één jaar zomerkoren. Het braakland wordt in de zomer enkele keren omgeploegd en bemest met stalmest. Vóór 1890 beschikt men niet over voldoende (eigen) stalmest. Door schepen wordt zogenaamde straatmest uit de grote steden aangevoerd. De kunstmest zorgt ervoor, dat men minder vee nodig heeft voor de mestproductie en dat er geen straatmest meer hoeft te worden ingevoerd. Er vindt dan ook een inkrimping van de veestapel plaats, waardoor weiland kan worden toegevoegd aan het akkerbouwareaal. Weiland blijft dan beperkt tot die plaatsen waar men problemen heeft met de afwatering, de dijktaluds, de eeuwkanten en het buitendijks gebied. Landbouwvoorlichting gaat een steeds grotere rol spelen, maar ook de verbetering van de afwatering, o.a. door drainage en bemaling, werpt zijn vruchten af. Na het draineren van een perceel kunnen de erin liggende greppels worden verwijderd, dit betekent niet alleen meer landbouwgrond, maar ook minder onderhoud. De greppels moesten immers worden ontdaan van onkruid, met name kweken.

Reeds vóór 1900 hebben de dorskassen hun intrede gedaan op Goeree-Overflakkee. De overige mechanisatie van de landbouw laat nog wel even op zich wachten. Overigens moet de graanbouw gedeeltelijk plaatsmaken voor de bladgewassen als de aardappel en de suikerbiet.

In het eerste decennium worden de verbindingen met de vaste wal en de bereikbaarheid tussen de meeste dorpen onderling verbeterd. Hiervoor zijn de stoomtrams en de veerboten van de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM) verantwoordelijk. Het centrale punt van het tramnet is het station te Middelharnis. Mede hierdoor verkrijgt Middelharnnis een centrumpositie. De nieuw opgerichte scholen voor voortgezet onderwijs, de centrale veiling en proeftuin, diverse kantoorgebouwen e.d. worden gevestigd in Middelharnis. In 1930 wordt een groot deel van het eiland van elektriciteit voorzien, in 1934 gevolgd door de drinkwaterleiding. Tevens is de oprichting van een ziekenhuis te Dirksland van groot belang. Zo zijn er tal van zaken op te noemen, waaruit blijkt dat het eiland meegaat in de vaart der volkeren.

Dan breekt in 1940 de Tweede Wereldoorlog uit. De oorlog is ook aan Goeree-Overflakkee niet ongemerkt voorbij gegaan. Van de joodse gemeenschap vinden 55 mensen de dood. De kop van het eiland gaat deel uitmaken van de Atlantikwall. Hier verrijzen talloze bunkers en andere verdedigingswerken. Het grootste deel van Overflakkee wordt in februari-maart 1944 onder water gezet: de inundatie. Diverse dorpen moeten daartoe worden ontruimd; een grote evacuatie volgt. Bovendien is de materiële schade enorm. Het zoute inundatiewater heeft de polders veranderd in troosteloze, kale vlakten. Na de bevrijding komt een periode van wederopbouw. Er worden plannen ontwikkeld voor de aanleg van een vaste oeververbinding. En toen, geheel onverwacht, wordt het eiland in de nacht 1 februari 1953 getroffen door de grootste watersnoodramp uit zijn geschiedenis. Door een combinatie van natuurkrachten stijgt het water in de Noordzee tot ongekende hoogte. Aangewakkerd door een zware storm beukt het woeste water op de dijken, waarvan vele niet zijn opgewassen tegen zulk een natuurgeweld. Er slaan zo’n 150 gaten in de buitendijken met een totale lengte van ca. 10 kilometer. Een groot aantal mensen wordt verrast in de slaap en verdronk in het koude, onstuimige water. Het dorp Oude-Tonge wordt het zwaarst getroffen: 304 mensen (ca. 10% van de bevolking) komen om in de golven. Ook in Nieuwe-Tonge en Stellendam zijn veel slachtoffers te betreuren. Alleen Melissant en Dirksland blijven droog.

Goeree-Overflakkee gaat deel uitmaken van het Deltaplan, hetgeen niet alleen betekent dat de dijken en andere zeeweringen worden verhoogd en verzwaard, maar ook dat het eiland door dammen en bruggen met het vaste land zou worden verbonden.

Terug naar vorige pagina

bron: Streekarchief Goeree-Overflakkee