Ooltgensplaat nu (Google maps)
“Beschrijving
van het eiland Goedereede en Overflakkee zijne wording en zijn voorbestaan tot
op heden” door
J. v.d. Waal en F.O. Vervoorn, uitgegeven in 1895.
"Langs de Openbare school en de twee ijzeren lichtseinen verlaten wij Den Bommel en komen te Ooltgensplaat. De bosschen van den Heer van Weel breken de eentonigheid, en onwillekeurig herinneren we ons de omstreken van Ouddorp; het boschwachtershuisje aan den kant van den weg doet u aanstonds denken aan soortgelijke plaatsen in het houtrijke “Oude Dorp”. De weg is niet zoo kort, die ons naar Ooltgensplaat gevoerd heeft.

Oorsprong van de naam
“Ooltgensplaat”.
De oorsprong van den naam ligt voor ons in ’t duister. Volgens
sommigen zou hij slechts eene verbastering zijn van Adolfsplaat, naar
den eersten bedijker Adolf van Cleve, naar wien de geheele Heerlijkheid
Adolfsland heet. Den naam plaat kon zij gevoeglijk dragen, omdat de
bedijking op eene plaat of gors geschiedde. Maar in den uitgiftbrief van
het Oudeland van Ooltgensplaat van het jaar 1482 wordt het gors, reeds
genoemd Ooltkensplate van Vloyhil, terwijl de naam van Adolfsland eerst
voorkomt in den uitgiftbrief van de Galathee, van het jaar 1521, zoodat
deze afleiding zeer twijfelachtig is. Meerder grond bestaat er voor de
meening, dat dit gors of deze plaat genoemd is naar eenen Schipper
Oeltgen of Oeltken geheeten, die haar het eerst zou ontdekt hebben, of
naar een visscher van dien naam, die met zijne schuit aan deze plaats
zijn beroep uitoefende en aldaar vele jaren verkeerd heeft.
Deze veronderstelling wordt ook, hierdoor meer aannemenlijk door het
oude Wapen van Ooltgensplaat, waarop een schipper staat met een
schippershaak in de rechter- en een strik of lint in de linkerhand,
waaraan het wapenschild van Ooltgensplaat is vastgemaakt, rustende op
den grond voor het linkerbeen. Het tegenwoordige wapen is van lazuur,
beladen met een schip van goud, zeilende tegen eene plaat of zandbank,
op eene zee van synople en zilver, en chef van goud beladen met drie
banden van keel.
Doch laten we eerst het polderland beschrijven, vóór we verder het
Dorp ingaan.
De polders
De polders, die er bij behooren zijn: het Oudeland, de Noordpolder in
ééne bedijking met het Oudeland, de Galathee, de Weipolder, de Groote
Blok voor een gedeelte ook onder Den Bommel gelegen, de polder Al te
Klein, de Kruispolder, de Mariapolder, de Anna Wilhelminapolder ook voor
een gedeelte onder Den Bommel; de Groote Adriana Theodorapolder en de
kleine Adr. Theod.; het Rietveld en de Schappolder.
Het Oudeland werd in 1483 bedijkt door Jacob van Bordele, Ridder; Gheert
van Abbenbroek, Cornelis Gillesz. En anderen, waartoe het gors op den
13den Maart 1483 aan hen was uitgegeven door den heer van Ravestein; in
de jaren 1530 en 1532 leed de dijk zware schade, maar verschrikkelijk
was de toestand bij den hoogen vloed van 26 jan. 1682; toen de polder op
verschillende plaatsen invloeide, waardoor 22 menschen om het leven
kwamen; in 1715 trof een dergelijke ramp dezen polder, welke zich den 4e
jan. 1717 andermaal herhaalde. De armoedige toestand der bevolking
noodzaakte haar den polder te laten drijven tot 1718 en de dijken te
laten liggen, zooals ze doorgebroken waren; de Galathee was ook
ingestroomd, wat den Staten van Holland noodzaakte een octrooi te
verleenen tot het aangaan eener leening, groot 77300 gld., door de
gezamenlijke polders onder Ooltgensplaat te dragen. Dit octrooi is
gedateerd op 22 juli 1717.
De Noordpolder, die vroeger eene afzonderlijke bedijking was, was op 12
jan. 1713 ingevloeid, wat ook in 1682 geschied was, en ook den 3e Maart
1715 en 4e Jan. 1717 gebeurde; tengevolge dezer doorbraken bestaat nog
het water, “het groote gat”, een waterplas van ruim 6 ha
oppervlakte. De Ingelanden van dezen polder waren zoo ontmoedigd door
deze telkens wederkeerende inbraken of zoo geheel machteloos geworden om
de schaden te herstellen, dat zij den polder en hunne eigendommen
verlieten in ’t begin van 1718, waarna de Polders het Oudeland en de
Galathee het werk der bedijking weer ter hand namen. De schade aan de
verschillende dijken was echter zeer groot; voor het Oudeland en den
Noordpolder moest bijna van het dorp Ooltgensplaat af tot aan den polder
Den Bommel de zeedijk geheel vernieuwd worden, en ten einde daarvoor de
gelden te vinden, verleenden de Staten van Holland en West-Friesland met
intrekking van hun octrooi van 22 juni 1717 een nieuw octrooi op den
19den Maart 1718 tot het aangaan eener geldlening groot f. 156000,--
waarin moesten bijdragen:
Het Oudeland f. 35600,--
De Galathee f. 39000,--
De Weipolder f. 9500,--
De groote blok f. 34000,--
De Kruispolder f. 2900,--
De nieuwe blok f. 7300,--
De tiendheffers f. 27700,--
Samen f.156000,--
Men liet nu den dijk, die tusschen den Noordpolder en het Oudeland had
gelegen, vervallen, en maakte door den vroegeren Noordpolder eenen
geheel nieuwendijk, daarbij een niet onaanzienlijk deel van den polder
buiten bedijking latende; men herstelde ook de verschillende
binnendijken, welke verbetering eischten. Door de genoemde
omstandigheden is de vroegere Noordpolder bij het Oudeland ingesloten en
maakt daarmede ééne bedijking uit; gelijk beide polders ook
gelijkelijk in alle lasten bijdragen. Ze schijnen later van doorbraken
verschoond te zijn gebleven. Hun water loozen ze door eene sluis in de
haven van Ooltgensplaat. De grond is over ’t algemeen vruchtbare klei;
hier en daar, voornamelijke in het westen met meer of minder zand
vermengd.
Ze worden bestuurd door eenen Dijkgraaf met drie Gezworens, bijgestaan door eenen Secret. Penningm. en Opzichter.
De Galathee werd in 1521 ter bedijking uitgegeven door Filips van Cleve, heer van Ravesteijn, aan Adolf Herdinck, Rentmeester-Generaal van Zeeland, bewester Schelde, en diens medestanders, doch eerst in het jaar 1524, door gebrek aan werkvolk wegens den oorlog met Frankrijk bedijkt. Reeds zes jaren later schijnt de polder ingevloeid te zijn; wat ook geschiedde in 1682; ook in 1715 en 1717 leed hij groote schade. De herstelling der dijkbreuken werd uit de leening van f. 156000,-- betaald. De polder heeft zijne eigen uitwatering met eene sluis door den Mariapolder en de zoogenaamde Sluische Haven op het Volkerak. Hij heeft goeden kleigrond, veelal met zand vermengd. Wat het bestuur betreft, is hij vereenigd met den Mariapolder en bestaat uit eenen Dijkgraaf met vier Gezworens, bijgestaan door eenen Secretaris, Penningmeester en Opzichter.
De
Weipolder werd in ’t jaar 1594 ter bedijking uitgegeven door Catharina
van Oijenbrugge, vrouwe van Duras en Brigdamme, vanwege haren zoon,
Jonkheer Antonis van Bourgondië, heer van Brigdam. Van dezen polder
vinden wij geene bijzonderheden vermeld.
Zijne uitwatering geschiedt met eene sluis door eene kreek tusschen het
Weipoldersche gors en den grooten Adriana Theodorapolder op het Volkerak.
De grond is goede klei. Hij wordt te zamen met den polder Al te Klein
bestuurd door eenen Dijkgraaf met drie Gezworens, bijgestaan door eenen
Secr. Penningm. en eenen Opzichter.
De Groote Blok. De zoeven genoemde vrouw van Duras en Brigdamme gaf
dezen polder den 24sten Nov. 1599 ter bedijking uit aan den heer van
Matthenesse Heer Jan van Ondenbarneveld, ridder; den Preseident, Heer
Pieter van Honoissa, den rekenmeester Ph. Doublet, den
Rentmeester-Generaal van Zuid-Holland. W. van Beveren, Jonkheer Gheerit
van de Aa, den Raadsheer S. van Veen, pensionaris Berck te Dordrecht en
meer anderen. Deze uitgifte geschiedde volgens het consent van de Staten
van Holland van 9 sept. 1597, terwijl de voorwaarden van uitgifte door
genoemde Staten bij acte van den 25sten Nov. 1599 werden goedgekeurd, en
die onder meer dit in hielden, dat jaarlijks betaald zou worden twee
Gulden van 40 Grooten Vlaams per gemet tot last van den grond, erfelijk
te lossen den penning 16. Een jaar groot tot een erfelijken onlosbaren
grondcijns. Eén gulden in gereed geld van elk gemet voor de kosten en
moeiten gedaan voor het vervolgen van de uitwatering door Den Bommel,
mitsgaders het verkrijgen van het octrooi van vrijdommen.
De bedijkers verkregen verder bij octrooi van 10 Dec. 1599 van de Staten van Holland vrijdom van tienden voor 10 jaren, en van verponding en andere belastingen voor zes jaren. Ook blijkt uit dit octrooi, dat de bedijkers op den 30sten Nov. 1599 met de Amcahtsheeren van Grijsoord een Contract hadden aangegaan tot gezamenlijke bedijking van gorzen onder die Heerlijkheid gelegen thans bekend onder den naam van Magdalenapolder, waardoor ook de uitwatering door Den Bommel verviel, en deze door Oude-Tonge werd gebracht. Er schijnt toen ter tijd geschil bestaan te hebben over den eigendom van de Ambachtsheerlijkheid St. Adolfsland tusschen de bezitters en de Staten van Holland; in de oude stukken van den Grooten Blok bevindt zich een appointement van 9 sept. 1597, op een rekest van de heerschappen van St. Adolfsland, waarbij hun vergund wordt, dat de aanwas, genaamd de Groote Blok ter bedijking zal mogen worden uitgegeven, ondanks het bestaande proces voor den Hoogen Raad, tusschen den Rentmeester van de Confiscatiën van Holland en de vrouwe van Brigdamme, als voogdesse van haren minderjarigen zoon Anthonij van Bourgondië.
Van inbraken of andere rampen vinden wij niets vermeld; de polder bestaat uit besten kleigrond. Het is ééne bedijking met den Magdalenapolder onder Ouder Tonge, en heeft met deze zijn uitwatering op den Heerenpolder, en behoort onder het Waterschap der gemeenschappelijk uitwatering met stoombemaling van en door den Heerenpolder. Hij wordt bestuurd door eenen Dijkgraaf met twee Gezworens, bijgestaan door eenen Secretaris, Penningm., en eenen Opzichter.
Al
te Klein is een kleine polder, gelegen ten Zuidoosten van den polder de
Galathee en werd in 1602 bedijkt. Hij vloeide in den 26sten jan. 1682
maar werd weder beverscht. Zijne uitwatering geschiedt met eene sluis op
den Weipolder, en hij heeft met deze één Bestuur.
De Kruispolder werd bedijkt in 1626. Zijn water loost hij met eene sluis
op den polder den Grooten Blok. Hij heeft geen bestuur maar een
vertegenwoordiger.
Het Rietveld is een bezomerkaaid gors, gelegen ten Noordoosten van het
Dorp Ooltgensplaat en werd vóór 1682 van eene zomerkade vorozien;
immers v. Dam vermeldt in zijne beschrijving van den hoogen watervloed
van 26 jan. 1682, dat het toen ook is ingevloeid. Bij buitengewoon hooge
vloeden stroomt het steeds in, gelijk nu laatst nog op den 19den juni
1897, bij welke gelegenheid van de daarop weidende runderen 16 stuks,
zwemmende te Willemstad aankwam, en daar werden gered. Hij bestaat uit
goed Weiland, en loost het overtollige water met eene sluis rechtstreeks
op het Haringvliet. Hij heeft geen bestuur, maar een vertegenwoordiger.
De schrappolder is aan de Noordzijde van de haven gelegen. Het is een
smalle strook gronds, die niet bedijkt is, maar van eene zomerkade
voorzien, en dus ook bij elken buitengewonen vloed overstroomd wordt.
Hij bestaat geheel uit weiland, en loost zijn overtollig water op de
haven van Ooltgensplaat. Hij heeft geen bestuur, maar eenen
vertegenwoordiger.
De Mariapolder werd in 1731 bedijkt. Zijn grond is vruchtbaar. Zijne
uitwatering heeft plaats in de Sluische Haven en verder op het Volkerak;
en heeft met den polder Galathee één Bestuur zooals reeds is gemeld.
De Anna Wilhelminapolder is voor een gedeelte gelegen onder de gemeente
Den Bommel, bedijkt in 1806.
De Groote Adriana Theodorapolder werd in 1844 bedijkt. Bij den Hoogen vloed in dec. 1894 brak onverwacht de dijk door en vloeide de polder in. Het water stroomde zoo snel binnen, dat de bewoners van de in den polder staande bouwhoeven ternauwernood zich konden redden. Zeventig stuks vee, groot en klein, verdronk bij deze gelegenheid. De uitwatering geschiedt met eene sluis op het Volkerak; er is geen bestuur, maar een vertegenwoordiger.
De Kleine Adriana Theodorapolder werd in 1844 bedijkt; hij is van de
groote A.Th.polder afgescheiden door de zoogenaamde Sluische Haven. Zijne waterloozing geschiedt op het Volkerak. Hij heeft geen bestuur,
maar eenen vertegenwoordiger.
Het Weipolderse gors: Dit werd in 1855 van eene zomerkade voorzien. Het is geheel weiland. Het behoort in eigendom aan de eigenaren van den Weipolder, en wordt door zijn bestuur beheerd. De opbrengst van dit gors is zoo aanzienlijk, dat daaruit meestal alle lasten van den Weipolder gekweten kunnen worden en zelfs van tijd tot tijd uitkeeringen aan de eigenaren kunnen gedaan worden.